Het verhaal van Kaas en Haas

29-10-2018 18:38

 

 

Ergens in het oosten van het land stond een boerderij. Het was een kaasboerderij om precies te zijn. De boer van deze boerderij had vele mooie koeien grazend op zijn landerijen staan en van hun melk maakte hij heerlijke kaas. Nu is het zo dat kaas een zeer aantrekkelijk etenswaar is voor muizen, ja en die moet je natuurlijk niet hebben bij je kaas, anders wordt het gatenkaas. Zodoende had de boer een grote hond op zijn erf lopen, om de kazen die lagen te rijpen in de kaasschuur, te bewaken.. Waarom geen kat? Nou gewoon, deze boer hield niet van katten en dacht met zijn hond ook de muizen te kunnen afschrikken. De hond deed dan ook enorm zijn best en rende al blaffend en grommend tussen de schappen, waar de kaas lag te rusten, heen en weer.

 

Eén keer per dag kwam de boer de kazen keren, want dat moet nu eenmaal, omdat anders de kaas uitzakt en dat zou er heel raar uitzien… Een soort van dikke pannenkoeken krijg je dan. Wanneer de boer in de schuur bezig was de kazen te keren, deed de hond extra zijn best en rende al grommend en blaffend heen er weer tussen de kaasrijen…  De boer was heel tevreden over de bewakingskunsten van zijn hond en als dank kreeg de hond dan ook altijd een stukje kaas, naast zijn gewone eten natuurlijk, wat meestal bestond uit een bak met vleesrestjes. De hond vond de vleesrestjes altijd erg lekker, maar een stukje kaas, dat was een ware traktatie voor hem. Wanneer het moment daar was, om een stukje kaas te krijgen, zat de hond al watertandend te wachten..  In het begin had de hond geen naam, maar later noemde de boer hem “Kaas”. Je begrijpt wel waarom.

 

Op een avond was Kaas gewoon aan het werk, het verdedigen van de kaas tegen muizen en liep hij hard blaffend en grommend heen en weer in de grote schuur met kazen. Overdag kon Kaas wat uitrusten, omdat de boer vaak in de schuur aan het werk was en de muizen dan niet durfden te komen. Als Kaas ’s avonds en ook ’s nachts zijn werk deed was het een herrie van jewelste en je zou er niet over peinzen om die schuur binnen te gaan. Af en toe rustte hij eventjes uit en wandelde dan gewoon heen er weer, maar altijd zoekend naar muizen die aan zijn lekkere kaas zouden kunnen knabbelen. Neen, dat kon je aan Kaas wel overlaten. Geen muis kreeg de kans om van zijn kazen te snoepen. Al turend liep bij heen en weer. Opeens zag Kaas in een hoek van de schuur een enorme muis. Hij was zo groot dat Kaas eigenlijk een beetje schrok. Er kwam dan ook geen grom en blaf meer uit zijn bek, maar alleen een zielige hoge piep. Een beetje op afstand stond hij te kijken naar deze grote “muis” en durfde niet dichterbij te komen. De “muis” kwam steeds dichterbij en Kaas stond daar maar, een beetje bang te zijn. Wat moest hij nu doen? Normale muizen waren veel kleiner, niets om bang voor te zijn, maar deze “muis” was enorm! Hij stond rechtop, de “muis” en was bijna net zo groot als Kaas. Kaas deinsde achteruit, toen de “muis” weer dichter bij hem kwam en bijna wilde hij wegrennen toen de “muis” iets zei. “Waarom ben je bang?” Ja, waarom was Kaas bang? De “muis” had hem immers nog niets gedaan. Kaas stond stil en keek naar de “muis”. “Je bbbent zo groot!”, bracht hij uit. “Hoezo, groot? Hazen zijn altijd zo groot.” zei de haas, die een haas was en geen muis. “Haas, bben je een haas, geen muis?” Kaas kwam nu iets dichterbij. De haas zag er inderdaad wel anders uit dan een muis, maar door de schrik had Kaas dit eerst niet gezien. Het eerste vielen hem de lange oren op. De haas zat rechtop en had ook een heel ander kopje dan een muis, ook had hij grote achterpoten om mee te springen. “Waarom ben je hier?” vroeg Kaas aan Haas. “Het is een beetje koud buiten”, zei Haas, “en soms overnacht ik wel eens bij de koeien, in de schuur hiernaast.”  “O”, zei Kaas, “en wat ga je dan nu doen?” “Ik maak een bedje van stro, daar slaap ik in.” Haas wees naar een hoopje stro in de hoek van de schuur. “Waarom hier?” vroeg Kaas een beetje achterdochtig. “Nou,” zei Haas, “de stank van de koeien, die ik tot dusver had verdragen is minder erg dan hier, die van de kaas.” “Kaas stinkt helemaal niet!”, zei Kaas een beetje verontwaardigd. “Dus je houdt niet van kaas?” vroeg hij aan Haas. “Neen, natuurlijk niet, ik ben een planteneter,”zei Haas. “Ga je nu dan slapen?”, vroeg Kaas verder aan Haas. “Ja, vind je dat goed?” vroeg Haas. Kaas dacht even na. Haas hield niet van kaas, dus wat zou er kunnen gebeuren verder.. Kaas vond het goed. “Ja hoor,” zei hij, “ga jij maar lekker slapen. Ik ga weer aan mijn werk”. Haas ging in zijn bedje van stro liggen en draaide zich om. Na even te hebben gelegen brak er een enorm kabaal los. Dat was natuurlijk Kaas, die al grommend en blaffend heen er weer rende in de schuur, om de muizen weg te jagen. Toen Kaas een paar rondjes had gemaakt in de schuur, kwam hij even kijken bij Haas. Maar Haas sliep helemaal niet. “Waarom slaap je niet?” vroeg hij aan Haas. “Nou”, zei Haas, “waarom maak jij zo’n herrie?” “Dat is mijn werk,” zei Kaas. “Ik bewaak de kazen.” “Moet je daar zoveel herrie bij maken?” vroeg Haas.  “Nou”,  zei Kaas, “ik ben bang van wel, want ik moet de muizen, die gek op kaas zijn, verjagen.” “Ah,” zei Haas, “Slapen hier is dus niet mogelijk met al dat gegrom en geblaf.. Ik ga maar weer eens.” En Haas sprong weg, richting de koeienschuur.

 

Kaas keek hem na en ging daarna weer verder met zijn belangrijke taak, want stel je voor dat er muizen in de schuur kwamen, dat kon echt niet. Scherp turend en snuffelend liep bij de schuur weer rond. Als hij iets verdachts zag dan blafte en gromde hij er weer bij. Zo ging de nacht voorbij en de volgende ochtend kwam de boer weer naar de schuur om de kazen te keren. Toen hij daarmee klaar was riep hij de hond. “Kaas, Kaasje, waar ben je!” riep hij. “Ik heb iets lekkers voor je.” Daar kwam Kaas al aanrennen. “Kijk eens, een lekker stukje kaas voor jou. Je hebt weer goed je best gedaan hoor. Geen enkel gat in mijn kazen!” Hij gaf het stukje kaas aan de hond, aaide hem en verliet daarna de schuur. Kaas begon te eten van zijn heerlijke goudgele beloning en had niet in de gaten dat Haas achter hem in de hoek lag. Kaas hoorde wel een vreemd geluid, het leek wel gesnurk. Hij keek waar het geluid vandaan kwam en zag Haas liggen in de hoek. “Hé, hallo Haas, waarom slaap je nog?” Haas schrok wakker. “O, hallo Kaas, waarom maak je me nou wakker. Ik ben zo moe! Ik heb de hele nacht wakker gelegen van de stank en van de herrie.” “Tsja,” zei Kaas, “ik moet toch echt mijn werk doen, waarom slaap je dan ook hier?” “Het is buiten zo nat en zo koud,” zei Haas, “daar doe ik sowieso geen oog dicht. Mag ik vandaag hier in het hoekje slapen dan?” Kaas vond het goed en kauwde verder op zijn stukje kaas. “Wil je ook een stukje?”  vroeg hij aan Haas. Haas keek vies naar de kaas en zei: “Neen, dank je, het stinkt zo.” “Ja,” zei Kaas, “maar je moet er niet aan ruiken, dat stinkt zeker, maar het smaakt echt heerlijk hoor! Je moet het echt eens proberen.” Kaas schoof een stukje van zijn kaas naar Haas. Aarzelend pakte Haas het stukje kaas en proefde een klein stukje. Het duurde even voordat Haas reageerde maar na een klein poosje kwam er een reactie: “Nou, het smaakt inderdaad niet zoals het ruikt, niet heel vies hoor.” “Maar je vindt het ook niet echt lekker?” vroeg Kaas “Nee,” zei Haas, “niet echt. Ik eet liever klaver, gras en paardenbloemen”. Kaas was nu toch een beetje opgelucht dat Haas zijn kaas niet echt lekker vond. “Nou, dat eet ik zeker niet,” zei Kaas, “dat smaakt toch nergens naar. Geef mij maar mijn stukkie kaas en mijn vleesrestjes hoor!” “Je wat?” vroeg Haas. “Vleesrestjes,” zei Kaas, “je weet wel, dat krijg ik ’s middags altijd in mijn voerbak, o, dat vind ik zalig!” “Ik vind ’t goed hoor,” zei Haas, “dank je voor de kaas, ik ga nu slapen…” Hij gaapte uitgebreid en ging in de hoek op zijn bedje van stro liggen. Kaas liet hem verder met rust en ging ook even een uiltje knappen in zijn hondenhok op het erf. 

 

 

Een paar uur later, toen de boer al klaar was in de schuur en de schemering buiten intrad, werd Haas wakker. De koeien liepen loeiend de schuur in en Kaas was al weer begonnen met zijn uiterst belangrijke taak in de kaasschuur, het bewaken van de kazen. Hij wilde net een rondje gaan lopen, toen hij Haas tegenkwam. “Hallo Haas,” zei Kaas, “heb je lekker geslapen?” “Ja, dat wel, maar toch te weinig,” zei Haas. “Ik ben gewend ’s nachts te slapen en overdag naar mijn eten te zoeken en als het kan te zonnebaden. Nu heb ik overdag geslapen en ben ik ’s avonds wakker geworden van de herrie en die kaas ruikt zo NIET LEKKER!” Haas had wallen onder zijn ogen en gaapte voortdurend. “Waarom slaap je dan hier,” vroeg Kaas weer. “Nou,” zei Haas, “het is buiten ’s nachts zo nat en zo koud en het waait er ook nog. Bovendien vind ik het een beetje eng, zo alleen.” Kaas kreeg medelijden met Haas en stelde hem voor om in zijn hondenhok te gaan slapen. “Vind je dat niet erg?” vroeg Haas. “Neen hoor,” zei Kaas, “ga daar maar lekker liggen. Bovendien wordt mijn hok zo lekker opgewarmd. Tegen die tijd dat ik overdags daar kom slapen, ben jij al weer uitgeslapen. Dan kun je lekker klavertjes, gras en paardenbloemen gaan eten en dan ga ik fijn een tukje doen, op mijn opgewarmde strobedje. Vind je dat geen goed idee?” Haas vond het een goed idee en zeker erg lief van Kaas. Zo kwamen ze elkaar steeds tegen bij het gaan slapen of wakker worden en maakten dan een praatje, zeiden elkaar welterusten of goedemorgen en waren allebei tevreden met de oplossing. 

 

Ze deelden ze een tijdje het hondenhok en hielden elkaar een beetje gezelschap. Toen het voorjaar kwam en het weer langzaamaan beter werd zei Haas: “Kaas, dank je voor je gastvrijheid, maar het is tijd om te gaan. Ik ga nu weer naar mijn buitenverblijf, een leger** in de kleigrond van de weide. Het weer is er goed genoeg voor. Als de koude herfst weer komt met zijn kille, natte en winderige nachten, dan mag ik toch zeker wel weer bij jou in het hondenhok komen slapen?” “Zeker,” zei Kaas, “ik vond niet erg om mijn hok met je te delen.” Ze namen afscheid en Haas zwaaide naar Kaas in de schemering van de avond. “Tot ziens, vriend!” riep Kaas hem na. Daarna rende bij al blaffend en grommend naar de kaasschuur om zich eens lekker uit te leven.     

                                                                                                                                                                         

Einde

 

** een leger is de benaming voor een ondiepe kuil in de (klei)grond.

      Het is de rustplaats van een haas.