Robin en de pientere Paardenbloem

11-10-2015 19:17

 

Robin en de pientere paardenbloem

 

Robin woonde in een klein dorpje in een klein huisje met een klein tuintje. Robin zat vaak in het tuintje ’s zomers en zo ook vandaag. Hij zat in een hoekje van de tuin, op een stukje ongemaaid gras. Op zijn schoot lag een rekenboekje en Robin staarde een beetje voor zich uit. Vandaag op school had hij juist rekenles gehad en de juf had hem het boekje meegegeven om thuis nog eens na te kijken. Robin had een beetje moeite met hoofdrekenen en nu zat hij na te denken en voor zich uit te staren. Hoe moest hij nu die moeilijke rekensommen maken. Nog maar eens proberen dan. Voor de zoveelste keer begon hij bij som 1. Hoeveel is 13 plus 15? Robin dacht diep na en begon op zijn vingers te tellen. “Nee, nee”, hoorde hij piepen. Robin keek om zich heen, maar er was niemand. Raar. Hij telde door op zijn vingers, vijf vingers en dan doortellen met drie erbij. “Neehee,” hoorde hij weer, “zo doe je dat niet!” Robin sprong op en keek om zich heen. “Hé, voorzichtig, je gaat bijna op me staan!”Robin keek waar het geluid vandaan kwam. Daar, beneden naast zijn voet, stond een paardenbloem, haar kopje schuin naar boven. “Ja, ik ben het, geloof het maar!” Robin bukte verbaasd naar de bloem toe. “P p praat jij tegen mij?” “Ja, piepte het bloempje verder, ik kan je helpen.” “Ooh,” Robin ging verbaasd weer zitten en keek naar het paardenbloempje, dat met haar kopje schuin naar hem omhoog keek. “Hoe wil je me helpen dan?” Robin was nu op zijn buik gaan liggen en keek de bloem aan. Twee kleine bruine oogjes stonden guitig in het ronde gezichtje van de paardenbloem. Ze tuitte haar lipjes en vertelde Robin wat te doen. “Maar eerst moet je een blocnote en een potlood gaan halen en dan gaan we verder.” Robin liep naar binnen en pakte in zijn kamertje een potlood met een gummetje erop en een blocnote. Zijn moeder keek hem na en vroeg wat hij aan het doen was. “Mam, ik leer hoofdrekenen met een paardenbloem, goed hè?” “Zo, dat is leuk en lukt dat wel denk je? Anders wil ik je straks ook wel helpen hoor.” “Ik denk het wel”, antwoordde Robin. “Als we gaan eten, dan roep ik je wel, okay?” “Ja hoor mam, doei.” 

 

Robin liep weer naar het hoekje van de tuin en ging naast de paardenbloem zitten. “Zo, piepte de paardenbloem, leg je rekenboek maar zo neer dat ik er goed in kan kijken.” Robin legde zijn rekenboekje op het gras, vlak voor de steel van de paardenbloem. “Zo goed?” vroeg Robin en de paardenbloem knikte. “Luister, ik zal je vertellen hoe je leert om uit je hoofd te rekenen. Kan je al tot tien tellen?” Robin knikte en ging weer op zijn buik liggen, met zijn handen onder zijn hoofd. “Hoeveel is 4 plus 2?” “Ha, dat is makkelijk, dat is 6!” “En 5 plus 4?” “Oh, die weet ik ook, dat is 9!” “”Heel goed, nu gaan we verder dan 10, hoeveel is 12 plus 7?” “Eh, eh, even denken….. Ik heb maar 10 vingers, hoe doe je dat?” “Nou, zei het bloempje, eerst tel je de 2 (van de 12) bij de 7 op en dan nog 10 erbij.” Robin probeerde het, “2 plus 7 is 9 en dan nog 10 erbij, dat 9 plus 10 is eh, 19!” “Goed zo!” De paardenbloem giechelde erbij. “En nu 11 plus 12.” Robin telde in zijn hoofd de getallen op, 1 plus 2 is 3 en dan nog 10 erbij is 13 en nog weer 10 erbij. “23?” Robin aarzelde. “Ja, alweer goed. Zie je wel, het is niet zo heel moeilijk. Nu nog een paar moeilijkere sommen. Neem je blocnote er maar bij,” zei de paardenbloem.

 

“Heb je ook een naam?” Robin keek de paardenbloem vragend aan. “Ja, maar niemand weet die.” “Ja, maar ik wil het weten, zei Robin, nou, hoe heet je?” “Vertel je het niet verder?” vroeg de paardenbloem. Ze keek hem aan. Robin schudde zijn hoofd van nee. “Ik vertel het aan niemand!” “Nou vooruit dan maar, ik heet Dandél,” zei ze. “Oh, wat een mooie naam.” “Ja, veel te mooi, voor een lelijke bloem die stinkt!” pruilde Dandél.  “Maar ik vind je wél mooi en heel aardig hoor”, zei Robin. “Ik heet Robin.” De paardenbloem keek Robin aan en glimlachte. “Nou kom, dan gaan we weer verder met de les. Dandél leerde Robin hoe hij optelsommen moest maken op zijn blocnote door de getalletjes onder elkaar te zetten met een streepje eronder. Hij moest dan van boven naar beneden de getallen optellen en beginnen bij het laatste getal aan de rechterkant. Later leerde zij hem om nog grotere getallen op te tellen met één (of soms meer) getallen onthouden boven de streep. Het ging best goed. Robin deed erg zijn best en het lukte hem inderdaad de moeilijkere sommen ook te maken en Dandél zei: “Als je dit vaak genoeg geoefend hebt, dan kan je die sommen ook “in je hoofd” doen, zonder het papier erbij, echt waar!” “Ik snap het nu veel beter”, Robin was opgetogen. Moeder kwam de tuin in.  “Tegen wie zit je te praten?” vroeg ze.   “Tegen Dandél,” zei Robin. Moeder knielde en keek naar de bloem. “Wat leuk, een paardenbloem in de tuin, die moet er maar gauw uit, want straks staan er dus overal in de tuin paardenbloemen.” Ze wilde de bloem plukken. “Nee, niet doen, ik vind haar zo mooi. Alsjeblieft mam, mag de bloem nog eventjes blijven staan?” Moeder keek naar Robin. “Goed, zei ze, maar als de bloem is uitgebloeid en pluisjes krijgt, dan moet je de bloem maar weghalen. Spreken we dat af?”Robin knikte aarzelend en keek naar Dandél. “Kom, we gaan eten”, moeder ging naar binnen. “Dag Dandél, ik ga je niet plukken hoor”, Robin ging nu ook naar binnen. Dandél zuchtte: “Ik wist dat dit zou gebeuren.”

 

De volgende middag na school ging Robin weer het tuintje in. Dandél stond er nog steeds. Robin knielde bij de bloem. “Hallo, ik ben er weer!” Dandél keek Robin aan en hij zag haar betraande oogjes. “Wat is er?” vroeg Robin. “Je moeder heeft gelijk Robin, binnenkort ben ik uitgebloeid en dan krijg ik een hele witte pluizenbol.” “Nou wat geeft dat! zei Robin, ik vind je mooi en ik ga je niet plukken!” “Ja, maar als mijn pluisjes wegwaaien dan komt de hele tuin vol met paardenbloemen te staan, zei Dandél, dat wil je moeder toch niet?” “Ja maar ik wel, ik houd van paardenbloemen”, zei Robin. Dandél moest nu een beetje lachen, ze zei: “Weet je wat je moet doen? Als mijn pluizenbolletje helemaal wit is moet je me voorzichtig plukken en meenemen naar het bos en mij dáár wegblazen. Dan komen er in het bos nog veel meer paardenbloemen. Dan kan je iedere dag naar ons toekomen en kijken. Wij paardenbloemen vinden het trouwens heel fijn om te worden weggeblazen.”  “Oh ja? Dat wist ik niet, zei Robin, als je dat wilt dan doe ik dat.”  Dandél werd al weer een beetje vrolijker en ze zei: “Kom, werk aan de winkel, we gaan weer rekenen.” Zo zaten Robin en Dandél nog een paar  dagen te leren in de tuin. Na één week kwamen er witte pluisje op Dandéls' hoofdje. “Robin nu moet je mijn pluisjes tellen,” zei Dandél.

 

Zo gezegd, zo gedaan. Robin telde iedere dag de pluisjes op Dandéls’ hoofdje. Het werden er steeds meer en meer en aan het einde van die week was en nog maar één bruingeel bloemblaadje over op haar hoofd. “Robin, zei Dandél, het is bijna tijd om mij weg te blazen. Morgen moet het gebeuren.

 

Het was zaterdag en Robin was al vroeg op. Vandaag had bij beloofd om Dandéls’ pluisjes weg te blazen in het bos. Robin stond in de tuin en keek naar Dandél.  “Vind je het niet erg?” vroeg hij haar.  “Neen, ik wil het graag, het is tijd,”  zei ze. Moeder kwam de tuin inlopen en zag de paardenbloem staan. “Robin, zei ze, die uitgebloeide paardenbloem mag nu toch wel weg uit de tuin? Weet je wat, ik knip hem even af en dan kun je de bloem achter het huis wegblazen, leuk toch? Ik haal even een schaar. “ Robin knielde naast Dandél.  “Jammer dat je weg moet,” en hij wilde Dandél een heel klein kusje op haar kopje geven.  “Nee, niet doen, riep Dandél, anders gaan mijn pluisjes in de war en vallen ze er af!” “Oh ja, dat mag niet, jammer. Ik wilde je zo graag bedanken dat je me hebt leren hoofdrekenen. Het gaat nu heel goed op school. Dankjewel Dandél!” Daar kwam moeder met de schaar. Heel voorzichtig knipte ze Dandél af en gaf haar aan Robin. “Houd je hand maar over het bloempje heen, dan waaien er geen pluisjes af in de tuin,” zei ze. Toch dwarrelde er één pluisjes van Dandéls’ kopje af toen moeder de bloem aan Robin gaf. Niemand zag het…

 

Robin liep met Dandél naar het kleine bos achter het huisje. Op een open plekje tussen de bomen hield Robin Dandél omhoog. Hij keek haar aan en zei vertelde hem dat als hij al haar pluisjes in één keer van haar hoofdje kon wegblazen, hij een gelukskind was en een wens mocht doen. Ook vertelde ze Robin een eeuwenoud versje; het vers van de uitgebloeide paardenbloem:                 

Mijn gouden pracht is uitgebloeid,

de kleine zonnen zijn vergloeid,

in zilveren lantaarntjes glimt hun licht,

voordat het dimt,

voordat de wind het alom verwaait,

en weer nieuwe gouden zonnen zaait.

 

“Wat een mooi gedicht. Mijn wens is je nog eens terug te zien, zei Robin. Dag Dandél en nog heel erg bedankt voor al je rekenlessen.” Hij blies met zijn adem heel hard, in één keer, alle pluisjes van Dandéls’ hoofdje af. Al giechelend vlogen de pluisjes met de wind mee, om ergens in het veld neer te strijken en in het voorjaar als paardenbloem terug te komen. Alles wat overbleef was een kaal steeltje. Robin nam het mee naar huis en zette het steeltje in een kleine vaas op de vensterbank van zijn kamer. Hij hoopte dat er een wonder zou gebeuren en dat Dandél terug zou groeien uit het groene steeltje, immers hij had dit toch gewenst, toen hij alle pluisjes in één keer had weggeblazen.. Maar er gebeurde helemaal niets. Het steeltje van de bloem werd geel, slap en vies en hing over het vaasje heen naar beneden. Op een dag was het steeltje weg. Moeder had het weggegooid. Robin was boos en teleurgesteld en begreep niet dat zijn wens niet was uitgekomen.

 

De zomer en de herfst gingen voorbij en het werd winter. Robin kreeg zijn kerstrapport en hij had een heel mooi cijfer voor rekenen van de juf gekregen. Het ging erg goed had de juf tegen de ouders van Robin gezegd. Daarom kreeg Robin met Kerst het mooie cadeau, wat hij zo graag wilde hebben: een boek over planten en bloemen. Er stond natuurlijk ook een bladzijde in het boek over paardenbloemen. Robin dacht aan Dandél en dat ze hem zo goed had geholpen met rekenen. Zou hij haar ooit nog terugzien?

 

De winter ging voorbij en op een dag in de lente liep Robin fluitend hun kleine tuintje achter het huis in. Hij had een boekje bij zich om wat huiswerk te maken en ging zitten. Opeens hoorde hij wat gepiep naast hem. “Hallo Robin!”  Verbaasd keek Robin schuin achter hem. Daar stond in het gras een paardenbloem. “Hallo, zei Robin, hoe heet je?” “Dandél,” giechelde de paardenbloem. En zo kwam de wens van Robin toch nog uit. Het ene kleine pluisje wat van Dandéls’ hoofdje was afgevallen in de tuin, werd weer een hele mooie grote paardenbloem!

 

Einde