Het sprookje van Livia en de zeemeerkinderen

18-10-2015 16:28

Het sprookje van Livia en de Zeemeerkinderen

 

Livia zat voor het huis. In gedachten rolde ze een plukje van haar lange haar tussen haar vingers en keek voor zich uit.  Ze was een beetje verdrietig. Haar vader was al heel lang weg, op zoek naar werk. Af en toe liet hij iets horen en kreeg Livia een lief kaartje en ook stuurde hij geld op. Maar de laatste tijd kwam er niets meer met de post. Livia’s moeder was ziek en kon niet werken. Livia verzorgde haar zo goed mogelijk, gaf haar te eten en deed wat kleine klusjes in huis. Eigenlijk moest Livia ook naar school, maar dat ging niet altijd. Zo ook de laatste tijd. Moeder lag veel op bed en was erg moe. Eten deed ze bijna niet meer, ook al maakte  Livia voor haar de lekkerste dingen. “Kind,” zei ze altijd, “ het gaat niet meer. Ik ben zo vreselijk moe. Ik word binnenkort een engel. Heb geen verdriet. Ik zal altijd bij je zijn….. “ Daarna zei ze een gebed en viel ze in slaap. Maar deze keer werd haar moeder ’s ochtends niet wakker.  Livia merkte het eerst niet, maar toen het kopje thee en het beschuitje met jam bleef staan werd Livia ongerust.  “Moeder, wat is er, wordt wakker! Ben je nu een engel?” Er kwam geen antwoord.

 

Livia rende het huis uit naar het strand, vlakbij het huis.  Op het strand ging ze zitten en huilde een tijdje. Ze herinnerde zich wat moeder de vorige avond tegen haar had gezegd;  heb geen verdriet en ik zal altijd bij je zijn… Livia vroeg zich af, wat moeder daarmee bedoelde. Ze voelde zich erg alleen. Ze tuurde voor zich uit, over de zee. Livia hield van de geluiden van de zee, van de vogels en de wind. Al luisterend viel Livia in slaap…

 

Plots werd ze wakker van een vreemd geluid. Het leek op zingen. Livia keek waar het geluid vandaan kwam. Voor haar, recht in zee, zag zij een meisje. Ze had mooi lang, zwart haar en diep blauwe ogen. Ze zwaaide sierlijk naar Livia. Livia liep wat dichter naar het water toe om haar goed te kunnen zien.  Het meisje zong een vreemd lied en Livia moest er naar luisteren. Ze wilde haar handen voor haar oren doen, maar dat lukte haar niet. Het  dromerige zingen leek Livia steeds dichter naar het meisje toe te lokken. Plots hoorde ze achter zich een hard geblaf. Geschrokken draaide Livia zich om en rende er een hond langs haar heen. Toen de hond weg was en Livia weer naar de zee keek, was het vreemde meisje verdwenen…

 

Verdrietig liep Livia naar huis terug. Buurvrouw wachtte haar op; “Livia, kind, kom maar hier!” Dat was het enige wat buurvrouw kon uitbrengen. Ze troostte Livia en vroeg haar of vader gauw thuis zou komen. Livia wist het niet en buurvrouw zei dat ze, totdat vader thuis zou komen, bij haar mocht komen logeren. Het kon Livia eigenlijk niet zo veel schelen. Vader moest maar gauw thuiskomen, waar was hij toch?  En moeder was ook weg… Zoals afgesproken ging Livia bij de buurvrouw logeren. Ook kon Livia weer naar school, nu ze niet meer voor haar moeder hoefde te zorgen. Maar school, daar kon Livia haar gedachten niet bij houden. ’s Nachts lag ze wakker, in de hoop dat moeder haar misschien als engel zou komen opzoeken. Maar er gebeurde niets.

 

Livia ging ’s ochtends de deur uit en wandelde dan naar het strand, in plaats van naar school. Buurvrouw was erg lief voor haar en had niets in de gaten van Livia’s gespijbel. Livia ging meestal op het strand zitten en tuurde over zee. Op het strand kon Livia haar gedachten loslaten en werd zij één met de ruisende golven, de vogels die vlogen en de wolken die voorbij zweefden. Ze bekeek de schelpjes, die ze vond in het zand  en at van haar boterhammetjes en heel soms viel ze wel eens in slaap. Dat kwam omdat ze ‘s nachts zo slecht sliep…

 

Ook vandaag zat Livia weer op het strand en tuurde over zee. Ze was erg moe en lag op haar buik te kijken of ze soms ook bootjes zag varen. Ze dacht aan de rare verschijning van gisteren en het vreemde gezang… Opeens hoorde Livia weer die dromerige melodie en keek op. Voor haar, in het water, zag zij het meisje met de donkere, lange haren en diepblauwe ogen. Het meisje keek Livia aan en wenkte haar met haar hand. Er waren nu ook anderen bij. Samen zongen ze een heel raar zweverig lied. Livia luisterde vol aandacht naar het zweverige zingen van deze bijzondere wezens. Wat waren het? Livia liep wat dichterbij om te ontdekken wat deze wezens van haar wilden. Ze zagen er aardig uit en van dichtbij leek Livia te kunnen verstaan wat ze zongen. Zag Livia dat nou goed? Het waren kinderen met vissenstaarten, een soort zeemeerkinderen. Maar voordat Livia zich hierover kon verbazen, lokte het betoverende gezang van de zeemeerkinderen haar steeds verder het water in.

 

Ze zongen:  

“Mensenkind,

luister naar de wind,

luister naar ons lied,

weggaan lukt je niet.

Kom met ons mee,

diep in de zee,

speel, zing en lach,

zeg je verdriet gedag...

 

“Wat gebeurd er met me? Ik, ik.” Maar weglopen lukte niet meer en Livia liep steeds verder het water in. Vreemd genoeg kon zij onder water gewoon adem halen en praten. Ze praatte met de zeemeerkinderen, die met haar speelden en lachten. Ze voelde zich gelukkig en de betovering bevrijdde haar van haar verdriet en herinneringen uit haar “andere” leven. Livia werd zelf een zeemeerkind en ze was gelukkig. Er was geen plaats meer voor verdrietige gedachten. De hele dag werd er gezwommen, gespeeld, gelachen en gezongen. ‘s Avonds en  ’s nachts gingen de zeemeerkinderen op zoek naar mensenkinderen op het strand, om ze te troosten en te lokken met hun gezang. Sommige mensenkinderen gingen met hen mee, maar niet alle kinderen. Niet ieder kind was gevoelig voor het loklied van de zeemeerkinderen, maar alleen die kinderen die van verdriet niet meer zelf konden denken….

 

Jaren gingen voorbij en de zeemeerkinderen werden ouder. (Zeemeerkinderen worden wel ouder, maar nooit echt volwassen..)  Het plezier van spelen en zingen maakte plaats voor andere dingen en Livia dacht vaak na over een gevoel wat al heel lang aan haar knaagde. Iets wat zij miste, maar wat het was, wist zij niet. Ze ging vaak naar het bepaald stukje strand en tuurde dan in de verte, zoekend naar iets, maar wat ze zocht, dat wist ze niet. Het maakte haar opnieuw verdrietig . De andere zeemeerkinderen merkten het en stuurden haar naar de zeemeerkoningin.  De zeemeerkoningin had een spiegel waarin je kon zien, wat er aan je knaagde.  Livia wilde er graag in kijken om haar verdriet te vinden.

 

Livia kwam bij de koningin en vroeg aan haar of ze in de spiegel mocht kijken. De koningin vroeg haar waarom ze dat wilde. Livia vertelde haar dat er iets was, wat haar verdrietig maakte en ze niet wist hoe dat kwam.  Om het op te lossen, wilde ze in de spiegel kijken. De koningin vond het goed, maar waarschuwde Livia, dat er niet voor alles een oplossing was en ze niet teleurgesteld moest zijn als de spiegel haar niets zou laten zien….

 

Livia ging naar een kamer waar de spiegel hing  en keek erin. Daarbij moest ze een spreuk opzeggen:

 

Spiegel, spiegel, kijk in mijn ziel,

ik, die voor u kniel,

voel de pijn in mijn hart,

voel de smart,

waar komt het vandaan,

ik kijk U smekend aan….

 

Livia tuurde in de spiegel. Eerst zag ze niets, maar na een tijdje zag ze de zee en het strand. Er zat een man op het strand. Hij huilde. Aan alle mensen die langs kwamen vroeg hij: ”Ik zoek mijn dochter, heeft u haar gezien? Ze heet Livia. Ik mis haar zo!” Hij liet daarbij een klein fotootje zien. Livia keek goed naar de man. Wie was het toch?  Ze had meteen medelijden met de man. Zou ze hem kunnen troosten met haar gezang? Livia vroeg het de koningin. “Probeer het, mijn kind”, sprak de koningin.

 

Livia volgde de raad van de koningin op en ging naar het stukje strand, wat ze in de spiegel had gezien. Het was, gek genoeg, precies hetzelfde stukje strand, waar ze zelf ook altijd naar toe ging. Ze tuurde vanuit zee over het strand en warempel, daar zat de man die ze in de spiegel had gezien. Hij zat op zijn knieën en huilde. Het was verschrikkelijk om te zien en Livia begon voor hem zingen. Ze zong, om hem te troosten. De man hoorde het vreemde geluid en keek naar Livia. Ze stak haar hand op en zwaaide naar de man. Hij kwam dichterbij en zag het gezicht van Livia. Hij stond tot aan zijn knieën in het water en pakte Livia’s hand. “Livia, wat doe je hier? Livia, ik heb je zo lang gezocht. Oh, gelukkig heb ik je nu gevonden. Kom mee, naar huis!” De man pakte Livia op en droeg haar uit zee. Haar vissenstaart, verdween daarbij meteen en Livia wilde weglopen, maar ze twijfelde en bleef staan.  De man kwam haar zo bekend voor…

 

“Pappie!? Pappie? Ben jij dat?  Waar was je nou al die tijd? Livia keek hem met grote betraande ogen aan. “Ja ik ben het!” zei haar vader. “Buurvrouw heeft me gebeld, dat Mama zo erg ziek was en heeft haar naar het hospitaal gebracht. Ik ben toen zo snel mogelijk teruggekomen. Mama is nog in het hospitaal en het gaat gelukkig goed met haar, maar jou waren we kwijt! Ik vond je hier, slapend op het strand.”

Livia begreep haar vader niet. “Maar, maar hoe kan dat nou! Ik was toch….”  Vader pakte de hand van Livia en gaf een kus op haar wang. “Livia, alles is goed, echt waar. Je hebt vast weer liggen dromen op het strand!” Hij glimlachte erbij. Livia dacht na en wist dat haar vader gelijk had. Haar verdrietig gezichtje veranderde en ze glimlachte blij. Gelukkig, alles was goed! Het was maar een droom, maar wel een heel wonderlijke….

 

Einde.